logo regionale samenwerking Amsterdam-Amstelland & Zaanstreek-Waterland

Jeugdhulp regionale samenwerking
Amsterdam-Amstelland &
Zaanstreek-Waterland

Wat is het verschil tussen doelen en resultaten?

Een resultaat is een directe vertaling van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige/gezin (het ‘wat’). Deze staan omschreven in een perspectiefplan. Doelen worden opgesteld om toe te werken naar dat gewenste resultaat/de ondersteuningsbehoefte (het ‘hoe’). Deze worden opgenomen in het behandelplan van de jeugdhulporganisatie.

Wie stelt de resultaten op?

De jeugdige/gezin stellen tijdens het invullen van het perspectiefplan zelf de resultaten op die zij willen behalen. Het lokale team kan indien nodig hierbij ondersteunen.

Wat is de rol van de lokale teams bij het opstellen van de resultaten?

Indien gewenst kan het lokale team de jeugdige/gezin ondersteunen bij het opstellen van het perspectiefplan en het bepalen van de resultaten die daarin staan vermeld.

Welke resultaten meet de gemeente?

De gemeente meet allereerst resultaten om te beoordelen of jeugdhulporganisaties effectief zijn in hun begeleiding/behandeling van de jeugdige/gezin. Ook is de gemeente verantwoordelijk om samen met jeugdhulporganisaties het jeugdhulpaanbod te verbeteren en evalueren.

De gemeenten doen het volgende op verschillende niveaus:

– De gemeente bevraagt verwijzers, gezinnen en jeugdigen hoe zij het nieuwe stelsel ervaren en waar ze tegen aan lopen.

– De jeugdhulporganisatie meet aan de hand van het behandelplan op drie onderdelen, conform het model dat landelijk is ontwikkeld. De regio gebruikt deze informatie bij de resultaatsturing en de prestatiedialoog met gecontracteerde jeugdhulporganisaties. De criteria zijn als volgt:

  1. Doelrealisatie
    Doelrealisatie wordt door jeugdhulporganisaties gemeten met het meetsysteem dat ze momenteel al gebruiken, op voorwaarde dat dit een gevalideerd systeem is. De data uit deze meetsystemen worden verzameld door de gemeenten en met elkaar vergeleken. De data wordt geanonimiseerd, dus het is nooit mogelijk om op individueel niveau te  herleiden. De resultaten worden gebruikt om met de gecontracteerde  jeugdhulporganisaties, lokale teams en regiogemeenten te analyseren of de jeugdhulp effectief wordt ingezet.
  2. Cliënttevredenheid
    Gecontracteerde jeugdhulporganisaties en de regiogemeenten hebben gezamenlijk een vragenlijst ontwikkeld die gebruikt kan worden om de cliënttevredenheid te meten. Vanaf medio 2018 wordt deze vragenlijst door de jeugdhulporganisatie bij de jeugdige afgenomen als de hulp is beëindigt of één keer per jaar als de hulp langdurig doorloopt. Deze gegevens worden verzameld en geanonimiseerd door de regio en gebruikt om de jeugdhulp in de toekomst nog effectiever te maken.
  3. Uitval
    Uitval wordt geregistreerd door de gecontracteerde jeugdhulporganisaties. Zij doen dit via het berichtenverkeer. Deze gegevens worden door de backoffice van de gemeenten geanonimiseerd, verwerkt en geanalyseerd.

Wie heeft de verantwoordelijkheid voor het behalen van de opgestelde resultaten?

De gecontracteerde jeugdhulporganisatie is verantwoordelijk voor het behalen van de doelen zoals geformuleerd in het behandelplan. Deze doelen worden geformuleerd op basis van de gewenste resultaten in het perspectiefplan. Van de gecontracteerde jeugdhulporganisaties wordt verwacht dat, tijdens het opstellen en uitvoeren van het behandelplan, de resultaten uit het perspectiefplan waarop de gecontracteerde jeugdhulporganisatie niet direct invloed kan uitoefenen wel worden meegenomen. De jeugdhulporganisatie heeft daarmee een bredere verantwoordelijkheid om samen met andere relevante professionals effectief af te stemmen. Indien noodzakelijk, maakt de gecontracteerde jeugdhulporganisatie gebruik van onderaannemers.

Wat betekent ‘doen wat nodig is’ om een doel te behalen en wat is de verantwoordelijkheid van de hoofdaannemer hierin?

Gemeenten en jeugdhulporganisaties hebben met elkaar afgesproken dat de gecontracteerde jeugdhulporganisaties de vrijheid hebben om te doen wat nodig is voor een gezin. Dit vertaalt zich in het volgende: de gecontracteerde jeugdhulporganisatie die de SPIC voor de jeugdige krijgt toegewezen (de hoofdaannemer) moet het gewenste resultaat behalen. Dit is opgenomen in het contract tussen jeugdhulporganisaties en de regio. In de praktijk betekent dit dat een hoofdaannemer verantwoordelijk is voor het behalen van een resultaat van het gezin voor één tarief. Daarin zitten alle mogelijke vormen van hulp, middelen en andere ondersteuning in die de hoofdaannemer denkt nodig te hebben om dat resultaat te behalen.

Dit resultaat vertaalt de hoofdaannemer samen met het gezin in het behandelplan in SMART doelen. Deze doelen leiden gezamenlijk tot het geformuleerde resultaat. Wanneer een jeugdige/gezin  binnen een periode van 4 maanden na het beëindigen van de zorg een terugval of aanvullende vraag krijgt (lees: het oorspronkelijke resultaat is nog niet behaald) en in lijn met de ondersteuningsbehoefte, dient de hoofdaannemer daar alsnog de verantwoordelijkheid voor te nemen. Dit is op basis van de gemaakte (financiële) afspraken die zijn vastgelegd in de verwijzing/toewijzing. Aanvullende hulpvragen of een veranderend resultaat dat niet meer in overeenstemming is met de oorspronkelijke behoefte van het gezin, vallen daar logischerwijze niet onder. Die  worden gezien als een nieuwe situatie.

De intensiteiten duurzaam licht of duurzaam zwaar kennen voorgenoemde periode van 4 maanden niet. Een herleving na eerder afsluiten van de intensiteiten duurzaam wordt gezien als nieuwe instroom.

Waarop wordt het resultaat beoordeeld?

Gemeenten voeren met de hoofdaannemers en de lokale teams het gesprek over doelrealisatie, uitval en cliënttevredenheid. Hoofdaannemers voeren dat gesprek met de betreffende onderaannemers. Op deze manier stelt de regio vast wat een redelijke prestatie is en wat je als jeugdige/gezin mag verwachten.

Per wanneer gaat de financiële koppeling met resultaatsturing in?

In 2018 zal geen financiële koppeling worden gemaakt met resultaatsturing. In 2020 heeft de gemeente de contractuele mogelijkheid om de financiële koppeling wel te realiseren. De invoering van de financiële koppeling met resultaat sturing vindt plaats in samenspraak tussen gemeenten en gecontracteerde jeugdhulporganisaties.

Met betrekking tot het sturen op resultaat, hoe wordt omgegaan met jeugdigen die niet (kunnen) genezen?

Het is evident dat niet iedereen geneest, zeker kijkend naar jeugdigen met een beperking. Het resultaat wordt daarom voor deze doelgroep anders gedefinieerd. Ook binnen die kaders kan prima een gesprek plaatsvinden tussen jeugdige/gezin, verwijzer en hoofdaannemer over de vraag of de doelen wel of niet behaald zijn, en waarom.

Hoe wordt op resultaat beoordeeld als er sprake is van een opt-out?

Indien de jeugdige/gezin gebruik maakt van de opt-out regeling, wordt het perspectiefplan niet gedeeld met de lokale teams. Dit betekent dat het niet mogelijk is om op doelrealisatie te gemeten. Wel meet de gemeente op basis van uitval en cliënttevredenheid, omdat uit deze gegevens niet afgeleid wordt wat er speelt bij de jeugdige/gezin. Gemeenten monitoren het gebruik van de opt-out regeling bij de gecontracteerde jeugdhulporganisaties. De opt-out documenten staan op de documenten en toolkit pagina.

Resultaatsturing is goed op voorwaarde dat de meetinstrumenten goed zijn. Hoe zijn deze meetinstrumenten tot stand gekomen?

Momenteel wordt gewerkt aan een systeem waarbij de meetresultaten vergelijkbaar worden gemaakt tussen gecontracteerde jeugdhulporganisaties. Jeugdhulporganisaties kunnen zelf kiezen voor een resultaatmeetsysteem. De volgende eisen worden daaraan gesteld:

  1. Het systeem moet gevalideerd zijn,
  2. Uit het systeem  moeten vergelijkbare getallen te krijgen zijn.

De implementatie van het meetsysteem heeft tijd nodig, vandaar dat dit niet direct in het eerste jaar volledig geharmoniseerd wordt ingevoerd. In 2018 betreft het de eerste stap. Het uiteindelijke doel is dat de regiogemeenten met de jeugdhulporganisaties een meetinstrument in gebruik nemen dat kan worden toegepast voor het effectief meten en bespreken van resultaten.

Hoe worden de administratieve lasten verlaagd? Hoe wordt voorkomen dat de registratiegolf blijft toenemen als goede kwaliteitsmetingen nodig zijn?

De registratievereisten zullen afnemen. Het DBC-systeem en andere financiële bekostigingsmodellen zijn losgelaten en de minutenregistratie is niet meer relevant voor gemeenten; gemeenten bekostigen namelijk het resultaat. Dat betekent dat er nog circa 80 ‘codes’ zijn waar de geldstroom tussen gemeenten en jeugdhulporganisaties plaatsvindt: de ondersteuningsprofielen zijn gekoppeld aan een intensiteit (SPIC).  Dit is een drastische vereenvoudiging ten opzichte van de situatie voor 2018, waarin honderden productcodes verspreid over het hele jeugdhulpdomein in gebruik waren.